In een land ver, ver, ver van hier, waar groene heuvels glooiend gaan, van op en neer en neer en op, woonde een koning in een oud houten kasteel. De Koning was er gelukkig in het groene wijde land. Het land was rustig en vredig. De zon ging op en de zon ging onder en elke dag was een nieuwe dag als de vorige. Vanuit het roestige venster keek de koning tevreden over de heuvels die glooide van op en neer en neer en op. En de zon ging op en de zon ging onder, dag na dag na dag. Op een zonnige dag klonk het van klop klop kop, op de poort van het oude houten kasteel. De koning sprong weg van het roestige venster en rende de oude stenen trappen af en af en af tot achter de poort. Buiten de poort stond een vermoeide reizende vreemdeling. Nog nooit had de koning bezoek gehad en hij wist niet wat te doen of wat niet te doen. Personeel had hij wel, en het luisterde naar zijn bevel. Maar een reizende vreemdeling of ander bezoek was er nooit door de poort gekomen. Hij liep de trap weer op, weer af, weer op, weer af, maar hij wist niet wat te doen. Toch wilde hij de reizende vreemdeling ook niet buiten de poort laten staan. Weer klonk er een klop klop klop. De koning deed zijn ogen stijf dicht en opende de deur in de poort, maar opende zijn ogen niet. Hij sloeg de rode koningsmantel voor zijn gezicht. Zo vroeg hij de reizende vreemdeling om binnen te komen. Ze gingen stenen trappen op en af en op en af. En de koning bleef met zijn ene hand de rode koningsmantel voor zijn gezicht houden terwijl hij met de andere hand de weg wees tot ze in de eetzaal kwamen. Daar liet de koning zijn dienstknechten direct een goede maaltijd klaarzetten. De bedienden liepen af en aan, af en aan, af en aan. Met wijn, brood en allerlei lekkernijen. Ze aten samen de koning en de reizende vreemdeling . Maar de koning staarden naar zijn bord en mompelde in zichzelf, met zijn hand nog voor zijn gezicht. Na het eten brachten de dienstknechten de reizende vreemdeling naar een kamer. De kamer had een oud roestig raam dat niet open ging en een zacht bed met heel veel kussens. Zo sliep die nacht voor het eerst een gast in het oude houten kasteel. De volgende morgen zat de koning aan zijn ontbijt toen de reizende vreemdeling binnen kwam. De koning staarde naar zijn bord en verschool zijn gezicht weer achter zijn hand. De reizende vreemdeling greep diep in zijn grijze knapzak en haalde er iets wits uit. Het was een glazend wit masker zoals dat wordt gebruikt in het Japans theater. Hij rijkte het de koning aan en sprak. "Dit kunt u dragen als er iemand aan uw deur komt. Want een goede koning is goed voor zijn volk maar een vriend op afstand." Zo verdween de reizende vreemdeling uit de eetzaal, uit het oude houten kasteel, uit het leven van de Koning. |
||